Paul Hoppe: Nederlandse Antillen
Het algemene onderzoeksthema van de scriptiewerkplaats had betrekking op
architectuur en bouwwerken die meestal gedurende de tijd van de Hollandse koloniale overheersing zijn ontstaan. De voormalige Nederlandse koloniën in de gebieden op het Zuid-Amerikaanse continent waaronder Suriname en de Nederlandse Antillen beschikken nog over overblijfselen uit deze roemruchte periode. Mijn scriptiebegeleidster Pauline van Roosmalen was tijdens het onderzoek en het schrijven van de scriptie het aanspreekpunt voor advies en kritiek. Het formuleren van een invalshoek met betrekking tot het thema van de scriptie zijn uitvoerig aan bod gekomen tijdens onze gesprekken binnen de scriptiewerkplaats.
De scriptie Verschoten kruit of rots in de branding? die ik geschreven heb, gaat over het bovenwindse eiland Sint Eustatius. Samen met Saba en Sint Maarten vormen de drie eilanden de bovenwindse eilanden van de Nederlandse Antillen. De reden dat ik op Sint Eustatius verzeild ben geraakt had te maken met mijn architectuur afstudeerproject op Sint Maarten.
Mijn onderzoek op Statia, zoals het eiland ook wel genoemd wordt, richtte zich op de nog aanwezige overgebleven koloniale bebouwing. Ik had het eiland naar aanleiding van mijn afstudeerproject in januari van 2002 het eerst bezocht. Ik was meteen onder de indruk van nog aanwezige koloniale bebouwing uit de tijd van de West-Indische Compagnie (WIC). Bakstenen gebouwen opgetrokken uit Hollandse gele IJsselsteen in het Caribische gebied is
een bijzondere gewaarwording.
Mijn interesse voor deze historische gebouwen, veelal woonhuizen, enkele stenen overheidsgebouwen en een aantal fortificaties, werd gewekt doordat ik na mijn eerste bezoek aan Statia een krantenartikel las over een restauratieproject op het eiland. Het project werd mede gefinancierd door de Nederlandse overheid. Ik e-mailde hierop de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Gijs de Vries. Hij bracht mij in contact met een bureau op Sint Maarten dat de restauraties van de huizen en andere objecten coördineert. Het contacteren van de verschillende participanten in het project nam hiermee een aanvang.
Voor het bronnenonderzoek heb ik het archief van het KITLV (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde) en de bibliotheek van het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden geraadpleegd. Na het bestuderen van verschillende documenten en de geschreven literatuur over de geschiedenis van de Antilliaanse eilandengroep ben ik tot de ontdekking gekomen dat in 1972 een groep studenten deels studerende in Delft deels in Utrecht onder leiding van prof. dr ir C.L. Temminck Groll een inventariserend onderzoek heeft verricht naar het destijds aanwezige culturele erfgoed. Ik ben hierdoor in contact gekomen met enkele van de onderzoekers uit 1972 en Temminck Groll. De informatie voor de scriptie, waaronder vele authentieke foto's uit 1972, kwamen zodoende boven water en was de keuze van mijn onderwerp gemaakt. Mijn onderzoek zou zich richtten op de ontwikkelingen van het eiland in de afgelopen 30 jaar. Dit had dan immers betrekking op de periode van 1972 tot 2002.
Mijn onderzoek spitste zich toe op de vraag of het mogelijk en wenselijk zou zijn om het eiland Sint Eustatius op de UNESCO Wereld Erfgoed Lijst te plaatsen. Mijns inziens verdienen de vele inspanningen om het behoud van de aanwezige natuur en gebouwd erfgoed de status van monument en hier opvolgend de opname in het register van de UNESCO Wereld Erfgoed Lijst. De bestaande bebouwing is niet aangemerkt als monument en zodoende niet beschermd.
Via mijn afstudeermentor ir L.G.W. Verhoef ben ik in contact gekomen met dr ir R. van Oers werkzaam bij de UNESCO. Hij vertelde dat het de eilandsregering is die als initiator van een dergelijk verzoek dient te fungeren. De prioriteit van de eilandsregering op Sint Eustatius ligt tot op heden nog niet bij het opstellen van een nominatierapport. Zonder hulp en onderzoek van buitenaf zal er in de komende jaren waarschijnlijk weinig veranderen op het kleine bovenwindse Sint Eustatius en blijft 'the historic core' een onbeschermde omgeving. De bevolking van het eiland is zich echter wel degelijk bewust van de noodzaak van het behoud van het erfgoed. Het onderhouden ervan gebeurt daarentegen weinig.
Toch ben ik hoopvol dat de restauraties en de inspanningen van individuele personen zullen bijdragen tot het behoud van de oorspronkelijkheid van het eiland. Hopelijk blijft 'the historic gem' hierdoor behouden voor volgende generaties.

